Ondernemer in gesprek met een financieel adviseur over vermogensbeheer Ondernemer in gesprek met een financieel adviseur over vermogensbeheer

Vermogensbeheerders voor ondernemers vergelijken: kosten, prestaties en wat je echt krijgt

Je BV staat er goed voor, de winstreserves lopen op, en je accountant geeft aan dat het geld harder moet werken dan op een spaarrekening. De eerste vermogensbeheerder belt terug binnen een dag, stuurt een nette presentatie en spreekt vol vertrouwen over ‘outperformance’. Maar wat staat er eigenlijk in de kleine lettertjes over kosten, en wanneer eet die rekening het rendement gewoon op?

Wanneer uitbesteden loont, en wanneer niet

Vermogensbeheer is pas zinvol als je genoeg vermogen hebt om de kosten te dragen zonder dat ze je nettoresultaat ruïneren. Als vuistregel: onder de 100.000 euro is de kostenstructuur van de meeste professionele beheerders te zwaar. Tussen de 100.000 en 250.000 euro zijn je opties beperkt tot digitale oplossingen of eenvoudige fondsen. Pas boven de 250.000 euro, en zeker boven de 500.000 euro, begint actief beheer met persoonlijke aandacht financieel te verdedigen.

Voor ondernemers speelt ook iets anders mee: liquiditeit. Als je over zes maanden een pand wil kopen of een overname wil doen, past een illiquide beleggingsportefeuille niet. Uitbesteden loont alleen als het geld echt voor langere tijd beschikbaar is, minimaal drie tot vijf jaar.

Minimumvermogens: wie laat je überhaupt binnen?

In Nederland zijn de drempels duidelijk, ook al communiceren beheerders er niet altijd openlijk over.

Type beheerder Minimumvermogen (globaal) Instapdrempel realistisch voor
Grootbanken (ING, ABN, Rabo Private Banking) 500.000 tot 1.000.000 euro DGA met opgebouwde BV-reserves of verkoopopbrengst
Onafhankelijke beheerders (Van Lanschot, Optimix, Insinger) 250.000 tot 500.000 euro Ondernemer na bedrijfsverkoop of grote winstuitkering
Digitale en hybride beheerders (Peaks, Liqid, Pritle) Geen tot 50.000 euro Zzp’er of ondernemer met kleiner overschot

De kostenlaag ontleed

De meest gemaakte fout is kijken naar de beheervergoeding en denken dat je daarmee klaar bent. In werkelijkheid bestaat de totale kostendruk uit meerdere lagen.

De beheervergoeding is het bedrag dat je jaarlijks betaalt voor het beheren van je portefeuille, doorgaans ergens tussen de 0,5 en 1,5 procent van het beheerd vermogen. Daarbovenop komen fondskosten als de beheerder beleggingsfondsen gebruikt, dat loopt al snel op tot 0,2 tot 0,8 procent extra. Dan zijn er transactiekosten bij elke aan- of verkoop van effecten. En sommige beheerders rekenen ook een performancefee: een percentage van de winst boven een afgesproken drempel, vaak 10 tot 20 procent van het meerdere.

Tel je dit bij elkaar op, dan zit je bij een actieve beheerder met fondsen al snel op 1,5 tot 2,5 procent totale jaarlijkse kosten. Dat klinkt behapbaar, maar op een portefeuille van 500.000 euro betekent 2 procent een jaarlijkse rekening van 10.000 euro, los van de vraag of er rendement is gemaakt.

Hoeveel rendement moet een beheerder maken om zijn rekening te rechtvaardigen?

Dit is de vraag die weinig adviseurs je spontaan stellen. Stel dat een passieve indexportefeuille gemiddeld 6 procent per jaar oplevert en jaarlijks 0,3 procent kost. Een actieve beheerder die 2 procent kost, moet structureel boven de 7,7 procent uitkomen om je beter af te laten zijn. Onderzoek laat keer op keer zien dat de meerderheid van actieve fondsen dit over een periode van tien jaar niet haalt.

Dat betekent niet dat actief beheer per definitie slecht is. Maar het betekent wel dat je de juiste vragen moet stellen: hoe heeft de beheerder gepresteerd na kosten, over meerdere marktcycli, en vergeleken met een passieve benchmark?

Grootbanken: voor wie zijn ze realistisch?

ING Private Banking, ABN AMRO MeesPierson en Rabo Private Banking richten zich op vermogens vanaf 500.000 euro en hoger. Ze bieden brede dienstverlening, ook voor fiscale en juridische vraagstukken rondom een DGA-structuur. Dat is een echte meerwaarde, want ze begrijpen dat BV-vermogen en privévermogen vaak verweven zijn.

Het nadeel is dat hun beheervergoedingen niet de laagste zijn en dat de beleggingsportefeuilles doorgaans worden opgebouwd met eigen huisfondsen, wat de onafhankelijkheid beperkt. Voor een ondernemer met 750.000 euro of meer die ook fiscaal advies wil, zijn ze een serieuze optie. Voor wie alleen wil beleggen, bestaat er goedkopere alternatieven.

Onafhankelijke beheerders: meerprijs of meerwaarde?

Van Lanschot Kempen, Optimix en Insinger Gilissen positioneren zich als onafhankelijker dan de grootbanken. Ze werken met een breed fondsuniversum en gaan soms ook aan de slag met vermogens vanaf 250.000 euro. De persoonlijke aandacht is doorgaans groter, de portefeuilles zijn meer op maat.

De kosten zijn vergelijkbaar met of soms hoger dan de grootbanken. De meerwaarde zit in de onafhankelijkheid van fondsselectie en de persoonlijke relatie met een vaste adviseur. Voor een ondernemer die echt maatwerk wil en een langetermijnrelatie zoekt, verdient dit segment de voorkeur boven de grootbanken, mits het vermogen groot genoeg is om de kosten te dragen.

Digitale en hybride beheerders: geschikt voor een kleiner overschot?

Peaks, Liqid en Pritle richten zich op een andere markt. Ze hanteren lage instapdrempels, werken met geautomatiseerde portefeuilles op basis van indexfondsen, en zijn aanzienlijk goedkoper. Kosten liggen doorgaans rond de 0,4 tot 0,8 procent per jaar inclusief fondsen.

Voor een zzp’er met spaargeld of een ondernemer die zijn eerste zakelijke overschot wil beleggen, is dit een eerlijk alternatief. Verwacht geen belastingadvies over je BV of een persoonlijk gesprek over successieplanning, maar voor rechttoe-rechtaan beleggen werkt het.

Actief vs. passief: de keuze die je zelden wordt voorgelegd

De meeste traditionele vermogensbeheerders kiezen voor actief beheer, simpelweg omdat dat meer oplevert voor henzelf. Passief beleggen via indexfondsen is aantoonbaar kostenefficiënter en levert na kosten gemiddeld betere resultaten op voor de belegger. Vraag elke beheerder expliciet: welk deel van mijn portefeuille belegt u passief, en waarom?

DGA-structuur en BV-vermogen: hoe gaan beheerders hiermee om?

Als ondernemer met een BV heb je te maken met een complexere fiscale situatie dan een particuliere belegger. Vermogen in de BV wordt anders belast dan privévermogen, en de keuze om uit te keren of in de BV te laten staan heeft grote gevolgen. Niet elke beheerder begrijpt dit goed.

Vraag bij elk kennismakingsgesprek expliciet: werken jullie ook met BV-portefeuilles, en hoe adviseren jullie over de keuze tussen beleggen in de BV of in privé? Een beheerder die hier geen duidelijk antwoord op heeft, is waarschijnlijk niet de juiste partner voor een DGA.

Vragen voor het eerste gesprek

Ga een kennismakingsgesprek niet in zonder deze vragen:

  • Wat zijn de totale kosten per jaar, inclusief fondsen en transactiekosten?
  • Hoe heeft de portefeuille de afgelopen vijf jaar gepresteerd na aftrek van alle kosten, vergeleken met een passieve benchmark?
  • Werkt u met eigen huisfondsen of met een open fondsuniversum?
  • Hoe gaat u om met BV-vermogen en DGA-structuren?
  • Wat is de minimale beleggingshorizon die u aanbeveelt?

Wanneer past welk type beheerder?

Heb je minder dan 100.000 euro te beleggen? Kies dan voor een digitale beheerder of beleg zelf via een broker in indexfondsen. Ben je ondernemer met 250.000 tot 500.000 euro, dan zijn onafhankelijke beheerders of een hybride aanpak het meest realistisch. Heb je meer dan 500.000 euro, een BV-structuur en wil je ook fiscaal en juridisch advies? Dan rechtvaardigt de complexiteit van je situatie het werken met een grootbank of gespecialiseerde onafhankelijke beheerder, mits je de kosten kritisch blijft volgen.

De vermogensbeheerder die het beste bij je past als ondernemer is niet degene met de mooiste brochure, maar degene die transparant is over kosten, begrijpt hoe jouw ondernemersstructuur in elkaar zit, en prestaties durft te laten vergelijken met een eerlijke maatstaf.

Vermogensbeheer voor ondernemers is geen standaardproduct. Kosten liggen in veel gevallen hoger dan ze op het eerste gezicht lijken, en toegevoegde waarde is niet vanzelfsprekend. Zet alle kostenlagen naast elkaar, vergelijk actieve prestaties met een passieve index en stel die vragen vóór je tekent, niet erna.